Current Size: 100%

huisarts

De omzet van een huisartsenpraktijk met betrekking tot de contacten met de huisartsenpraktijk, bestaat uit contacten met de ingeschreven patiënten (vaste patiënten) (tabel V3), contacten met passanten binnen eigen gemeente (tabel V3a) en contacten met passanten buiten eigen gemeente (tabel V3b). Er wordt onderscheid gemaakt tussen passanten binnen en buiten de gemeente, omdat de tarieven voor deze twee groepen van elkaar verschillen.

In 2010 hadden de meeste (telefonische) consulten en visites met de huisartsenpraktijk bij zowel mannen als vrouwen betrekking op essentiële hypertensie en diabetes mellitus. Voor diabetes hadden mannen en vrouwen respectievelijk 226 en 235(deel)contacten per 1000 ingeschreven patiënten, voor essentiële hypertensie was dit 194 en 276 per 1000 ingeschreven patiënten.

In 2010 kwam 76,5% van de ingeschreven patiënten naar de huisartsenpraktijk voor een (telefonisch) consult of visite. Het percentage patiënten dat een (telefonisch) contact of visite heeft met de huisartsenpraktijk is van 2006 naar 2010 iets toegenomen: van 73,8% naar 76,5%.

Het aantal gedeclareerde contacten is van 2006 naar 2010 met gemiddeld 7,3% per jaar gestegen. Dit wordt voornamelijk veroorzaak door een toename van telefonische consulten, e-mail consulten en M&I verrichtingen. Per 1000 ingeschreven patiënten werden 3786 (telefonische) consulten en visites gedeclareerd in 2010 (zie tabel).

In 2010 hadden de meeste contacten in de huisartsenpraktijk betrekking op patiënten met hypertensie zonder orgaanbeschadiging (5,7%) en diabetes (5,5%). Dit zijn de diagnoses die geregistreerd zijn bij de (telefonische) consulten en visites met de huisarts of praktijkondersteuner. Op de derde plaats staat urineweginfectie met 98 (deel)contacten per 1000 patiënten (2,3% van het totaal).

Jaarlijks wordt gecontroleerd in hoeverre LINH representatief is voor Nederland voor wat betreft de samenstelling van de patiëntenpopulatie en de huisartsen. Hieronder vindt u de cijfers over 2010.

 

LINH-patiëntenpopulatie
Om na te gaan of de bij LINH-praktijken ingeschreven praktijkpopulatie representatief is voor Nederland, is een vergelijking gemaakt naar leeftijd en geslacht met gegevens afkomstig van het College Voor Zorgverzekeringen. In vergelijking met de Nederlandse bevolking, komen binnen de patiëntenpopulatie van LINH iets minder vrouwen van 75 jaar en ouder voor. Over het algemeen is het opmerkelijk hoe goed LINH het landelijk beeld volgt. Zeker als men bedenkt dat bij de werving van praktijken moeilijk rekening kan worden gehouden met de demografische samenstelling van de praktijkpopulatie (tabel 1).

  
LINH-huisartsen
Om na te gaan of de bij LINH-praktijken werkzame huisartsen representatief zijn voor de Nederlandse huisartsen, is een vergelijking gemaakt met gegevens uit de huisartsenregistratie zoals bijgehouden door het NIVEL.
De aan LINH deelnemende huisartsen verschillen niet van de Nederlandse huisartsenpopulatie voor wat betreft sekse, leeftijd en en vestigingsduur (tabel 2). Ook het percentage HIDHA's (Huisarts In Dienst van een Huisarts) dat werkzaam is in de praktijk komt overeen met de situatie bij de Nederlandse huisartsen. Een significant verschil wordt gevonden wanneer men kijkt naar het aantal dagdelen dat een huisarts werkt; de LINH huisartsen blijken gemiddeld vaker parttime te werken vergeleken met de Nederlandse huisartsen. Een ander significant verschil wordt gevonden in de verdeling per provincie; met name Zuid-Holland en Flevoland zijn iets ondervertegenwoordigd onder de LINH huisartsen. Desalniettemin zijn de LINH huisartsen goed verspreid over het land en volgen zij qua stedelijkheid en verdeling per landsdeel het landelijk beeld.

 
Spreiding LINH-praktijken en Peilstations
Figuur 1 toont de geografische spreiding van de LINH-praktijken in 2010. Praktijken die deelnemen aan de Continue Morbiditeitsregistrate Peilstations staan apart weergegeven.


Sinds 2006 is de dataverzameling voor de Peilstations en LINH geïntegreerd. Gegevens van de Peilstationspraktijken worden gebruikt wanneer de data voldoen aan de kwaliteitseisen die gelden het LINH.




LINH huisartspraktijken
Op 01-07-2009 was het aandeel groepspraktijken groter dan voor de Nederlandse huisartsenpraktijken. De spreiding van de praktijken over het land komt goed overeen met het landelijk beeld (tabel 3)
 

LINH vergeleken met gegevens van zorgverzekeraars
Sinds 2006 is het mogelijk de cijfers van de gedeclareerde verrichtingen te vergelijken met gegevens die via zorgverzekeraar zijn verzameld voor alle verzekerden (Vektis). De LINH-cijfers blijken goed overeen te komen met de cijfers van Vektis. De stijging in het aantal consulten en visites in Vektis komt redelijk overeen met LINH, alleen wordt er een lagere stijging in LINH gevonden voor lange consulten en visites. Dit wordt veroorzaak door een lager cijfer in het aantal lange consulten en visites. De cijfers voor de geneesmiddelenvoorschriften komen ook over­een met de rappor­tage van de Stichting Farmaceutische kengetallen (SFK). Deze rappor­teerde een stijging tussen 2008 en 2009 van 3,8% in vergelijking tot 4,7% van LINH. In de cijfers van de SFK worden ook geneesmiddelvoorschriften die bijvoorbeeld voorgeschreven werden door medisch specialisten ook meegerekend.

Een belangrijk deel van de informatie uit de beroepenregistraties van het NIVEL zijn in de databank te raadplegen. In het keuzemenu kunt u een beroepsgroep en thema kiezen. Staan de gegevens die u zoekt er niet bij, dan kunt u deze wellicht aanvragen.
Gemiddeld hebben patiënten met hartfalen 15,2 keer een consult of visite bij de huisarts of praktijkondersteuner, waarvan er 2,5 gerelateerd zijn aan hartfalen. 

Patienten met hartfalen werden geselecteerd met behulp van de ICPC-code K77. Het stellen van de diagnose hartfalen is lastig. Voor meer informatie over het stellen van de diagnose hartfalen vindt u hier

Gemiddeld hebben patiënten met COPD 11 keer een consult of visite bij de huisarts of praktijkondersteuner, waarvan gemiddeld 2,7 consulten gerelateerd zijn aan COPD.

Per 1000 patiënten met COPD werd 392 keer verwezen naar de medisch specialist in 2010. Deze verwijzingen kunnen zowel gerelateerd zijn aan COPD als aan andere klachten. Het grootste aandeel daarbij hebben de verwijzingen naar het specialisme longziekten (53 per 1000 patiënten), oogheelkunde, dermatologie en inwendige geneeskunde.

Inhoud syndiceren