Legemaate, J., Grit, K., Plomp, E., Die, M. de, Bovenkamp, H. van de, Broer, T., Bouwman, R., Bomhoff, M., Friele, R., Bal, R.
Thematische wetsevaluatie Bestuursrechtelijk toezicht op de kwaliteit van zorg.
Den Haag; ZonMW, 2013. 491 p.
De belangstelling voor het overheidstoezicht op de kwaliteit van zorg is de laatste jaren sterk toegenomen. Dit was een van de aanleidingen voor een thematische evaluatie van de wetgeving waarin het toezicht op de kwaliteit van zorg is geregeld. Vandaag is het eindrapport van de evaluatie gepubliceerd. Het onderzoek is in opdracht van ZonMw uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam, het NIVEL en het instituut Beleid en Management Gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Op het terrein van de kwaliteit van zorg zijn verschillende toezichthouders actief. De belangrijkste daarvan is de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Het onderzoek wijst uit dat de IGZ de laatste jaren strenger is gaan optreden. Na een periode waarin de lerende, op kwaliteitsverbetering gerichte stijl van toezicht domineerde, heeft de afgelopen jaren een strengere, sanctionerende stijl meer nadruk gekregen. De IGZ zet vaker formele instrumenten in, zoals tuchtklachten. Ook worden instelling vaker onder verscherpt toezicht gesteld: ze komen dan met naam en toenaam op de IGZ website te staan totdat de kwaliteit weer op het gewenste niveau is. Mede hierdoor zijn zorginstellingen en -aanbieders scherper gaan letten op de kwaliteit en veiligheid van de zorg aan hun patiënten. De onderzoekers concluderen dat dit strengere beleid effectief is geweest, maar waarschuwen ervoor niet door te slaan. ‘Het is belangrijk de balans tussen beide toezichtstijlen goed in de gaten te houden’, aldus de onderzoekers.

Versnippering en onvolledigheid
Problematisch is dat, anders dan bij toezichthouders zoals de Onderwijsinspectie en de Nederlandse zorgautoriteit, met betrekking tot het kwaliteitstoezicht in de zorg één, integrale wettelijke regeling ontbreekt. Taken en bevoegdheden zijn over verschillende wettelijke regelingen verspreid. De onderlinge verhoudingen tussen overheidstoezichthouders (zoals de relatie tussen de IGZ en het Openbaar Ministerie), en de relatie tussen het overheidstoezicht en private toezichthouders (zoals zorgverzekeraars en raden van toezicht van zorginstellingen) worden steeds belangrijker. Deze relaties vergen een duidelijker wettelijke regeling dan nu het geval is, onder meer waar het gaat om de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling tussen toezichthouders. Ook de relatie van de IGZ tot de minister is onduidelijk. Belangrijk is dat de toezichthouder een zo onafhankelijk mogelijke positie heeft. In de visie van de onderzoekers dient de wet te bepalen dat de minister zich niet kan bemoeien met het oordeel van een toezichthouder over individuele gevallen. Tenslotte is een aantal aspecten van het werk van de IGZ ten onrechte niet wettelijk geregeld, zoals het ontbreken van een wettelijke basis voor het openbaar maken van maatregelen en de mogelijkheid voor werknemers in de zorg en burgers/patiënten om anoniem bij de toezichthouder te kunnen melden

Naar één duidelijke toezichtwet
Deze en andere wettelijke lacunes ondermijnen de slagvaardigheid en de effectiviteit van het toezicht. Het tot stand brengen van één duidelijke toezichtwet (een Wet toezicht kwaliteit zorgsector) kan belangrijke verbeteringen brengen, zowel waar het gaat om het verhelderen van de positie van de verschillende toezichthouders als om de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheid en het veld van de gezondheidszorg.

Het rapport en de samenvatting daarvan zijn te downloaden op de website van ZonMw. Voor nadere informatie kan contact opgenomen worden met: Roland Bal (r.bal@bmg.eur.nl) en Johan Legemaate (j.legemaate@amc.uva.nl).
ISBN 13:9789057631368