Meulenkamp, T., Bouwman, R., Hoek, L. van der, Boeije, H.
Indicatoren voor de monitoring van het VN-verdrag: rechten van mensen met een beperking. Beschikbaarheid, bruikbaarheid en eerste meting.
Utrecht; NIVEL, 2016. 77 p.
VN verdrag als aanleiding onderzoek
In het Verdrag van de Verenigde Naties (VN) over de rechten van mensen met een handicap staat volledige participatie en inclusie centraal. Met de aanstaande ratificatie van het VN-verdrag krijgt het College voor de Rechten van de Mens als Nationale Monitoringsinstantie de taak om de uitvoering van het Verdrag te monitoren. Om zo goed mogelijk inzicht te krijgen in de mate van participatie, heeft het College voor de Rechten van de Mens het NIVEL gevraagd naar de mogelijkheden om aan de hand van beschikbare data de implementatie van het Verdrag te volgen.
In een eerdere fase zijn door het College kwantitatieve indicatoren geïdentificeerd. Het doel van het huidige onderzoek is om de beschikbaarheid en bruikbaarheid van de bestaande gegevens te bestuderen voor de geselecteerde indicatoren en om voor verschillende groepen van mensen met beperkingen zo mogelijk een schatting te geven van de participatie. Op deze wijze komt een uitgangswaarde beschikbaar die kan worden gebruikt voor verdere monitoring van het Verdrag.
Sommige kwetsbare groepen niet in beeld
Het College is geïnteresseerd in groepen mensen met verschillende beperkingen. De afgelopen jaren is veel informatie verzameld over de participatie van mensen met een beperking bij de NIVEL Panels en het Trimbos instituut. In de Panels kunnen vier groepen worden geïdentificeerd: 1) mensen met een lichamelijke beperking, 2) mensen met een chronische ziekte, 3) mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking en 4) mensen met een ernstige psychische aandoening. Binnen deze hoofdgroepen kunnen naar aard en ernst verdere subgroepen worden onderscheiden. Dit betekent dat niet alle groepen die voor het College van belang zijn, voldoende in beeld zijn. Het gaat om jongeren met een beperking (<18 jaar), mensen met een visuele of auditieve beperking, mensen met een ernstige verstandelijke beperking en mensen met een lichte of matige psychische aandoening. Voor deze voor het Verdrag relevante groepen, zou aanvullende gegevensverzameling nodig zijn via bijvoorbeeld een uitbreiding van de Panels en/of het gebruik van andere methoden van onderzoek.
Aandacht voor de inhoud van indicatoren
Op basis van de vooraf geselecteerde indicatoren, kunnen we een schatting geven van de participatie van mensen met beperkingen. Op meerdere terreinen van participatie, zoals gebruik van openbare voorzieningen en openbaar vervoer, verschilt de participatie van mensen met beperkingen van de algemene bevolking. Er is een aantal indicatoren waar geen schatting voor kan worden gegeven, omdat de groep ondervraagden te klein is of omdat specifieke gegevens ontbreken.
Belangrijk is om na te gaan of de geselecteerde indicatoren tezamen een adequate operationalisering zijn van participatie en of ze dienst kunnen doen om de monitoringsfunctie uit te voeren. De meeste indicatoren lijken geschikt om veranderingen in de tijd te meten. Duidelijk moet nog worden welke afkappunten gebruikt zullen worden om vast te stellen wanneer er sprake is van een verandering: een toename dan wel een afname van participatie. Eveneens is het zinvol na te denken over ijkpunten van participatie. Sommige indicatoren krijgen pas betekenis wanneer we ze beschouwen in samenhang met andere indicatoren.
Panels
De beschikbaarheid en bruikbaarheid van gegevens voor de monitoringsfunctie van het College, is onderzocht in drie panels van het NIVEL, namelijk het Nationaal Panel Chronisch zieken en Gehandicapten (NPCG), het Panel Samen Leven (PSL) , het Consumentenpanel Gezondheidszorg (CoPa) en het panel Psychisch Gezien (PPG) van het Trimbos-instituut.
ISBN 13:9789461223715