Publicatie

Publication date
De zorg voor CVA-patiënten in Nederland: brancherapport curatieve somatische zorg 1997, verdiepingsstudie deel 1.
Welling, B.J.M., Donker, G.A., Delnoij, D.M.J. De zorg voor CVA-patiënten in Nederland: brancherapport curatieve somatische zorg 1997, verdiepingsstudie deel 1. Utrecht: NIVEL, NZI, 1997.
Download de PDF
CVA ('beroerte') blijkt in zowel lichamelijk als psychosociaal opzicht een zeer belastende aandoening te zijn. In het zorgtraject zijn drie fasen te onderscheiden, waarin de zorgverlening verschillend is: de acute fase, de herstelfase en de chronische fase.
In de acute fase wordt eerste hulp verleend, diagnostiek verricht en de zorg georganiseerd. De eerste hulp na het optreden van een CVA wordt meestal door de huisarts of diens waarnemer verleend. Het besluit dat de huisarts neemt over het wel of niet overgaan tot ziekenhuisopname betekent reeds een besluit over nut en noodzaak van aanvullende diagnostiek en therapie. Zijn beslissing over opname blijkt afhankelijk te zijn van de leeftijd en de verzorgingsbehoefte van de patiënt. Bij ziekenhuisopname kan zowel sprake zijn van over-diagnostiek (bijvoorbeeld het maken van een EEG, waarvan het nut wordt betwijfeld, als van onderdiagnostiek (de zo belangrijke CT-scan wordt niet bij alle patiënten gemaakt).
Wanneer de huisarts beslist dat de patiënt thuis kan blijven, dan vindt er in de helft van de gevallen geen verdere diagnostiek plaats.
De verschillen in de behandeling van CVA-patiënten worden ten dele veroorzaakt door gebrek aan consensus over de behandeling van CVA.
In de acute fase zou eigenlijk al een begin moeten worden gemaakt met de revalidatie door een fysiotherapeutische, en zo nodig ergotherapeutische en logopedische behandeling. In hoeverre dit daadwerkelijk gebeurt, kon niet worden vastgesteld.
In de herstelfase wordt zorg belangrijker dan diagnostiek. het gaat er dan om de patiënt en zijn omgeving te leren zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Doel is het bereiken van een optimale kwaliteit van leven. Hiervoor moeten zowel de patiënt als de familie ondersteund worden. Veelvuldig voorkomende lange wachtlijsten bij verpleeghuizen, revalidatieklinieken en thuiszorg veroorzaken een te lange opnameduur van CVA-patiënten in ziekenhuizen. De beleidsmatig gewenste doorstroming wordt dus niet overal gerealiseerd.
In de chronische fase is vooral aandacht voor de (psychische) draagkracht van de naaste omgeving van de patiënt van belang. Patiëntengroepen en zelfhulpgroepen kunnen hier een belangrijke rol spelen. Preventief huisbezoek door wijkverpleegkundigen kan een positieve invloed hebben op de functionele toestand en het welbevinden van de patiënt en de mantelzorg.

Om de zorg voor CVA-patiënten te verbeteren is een betere afstemming nodig van de zorg van de diverse betrokken instellingen en disciplines. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat landelijke richtlijnen komen voor de behandeling van CVA-patiënten.