Publicatie

Publication date
De werkweek van de Nederlandse huisarts in 2018: en een vergelijking met 2013.
Versteeg, S., Vis, E., Velden, L. van der, Batenburg, R. De werkweek van de Nederlandse huisarts in 2018: en een vergelijking met 2013. Utrecht: Nivel, 2018.
Download de PDF
Door veranderingen in de Nederlandse huisartsenzorg, zoals de verschuiving van zorg van de tweede naar de eerste lijn, de toename van (buurt)zorg-coördinerende taken voor de huisarts, schaalvergroting van huisartsenpraktijken, inzet van praktijkondersteuners, vergrijzing en de veranderende financieringsstructuur van de zorg, kan de tijdsbesteding van huisartsen veranderen. Om deze reden is een SMS-tijdsbestedingsonderzoek uitgevoerd onder huisartsen, zoals ook in 2013. In het onderzoek stond wederom de vraag centraal hoeveel uur per week men als huisarts werkzaam is, en hoe deze tijd is besteed aan verschillende activiteiten (direct, indirect en niet-patiëntgebonden activiteiten. Hierbij is rekening gehouden met de werkzame positie en het geslacht van de huisartsen. Tevens is bekeken hoe de meting van 2018 verschilt of overeenkomt met de eerdere meting uit 2013. Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van een actueel inzicht in de tijdsbesteding van Nederlandse huisartsen, wat als input kan worden gebruikt voor de capaciteitsramingen en adviezen waarmee in Nederland de afstemming tussen vraag naar en aanbod van huisartsenzorg kan worden gerealiseerd.

In juni en de eerste twee weken van juli hebben 708 huisartsen meegedaan met een meetweek waarin elke dag SMS-berichten werden verstuurd met een vraag over hun werkzaamheden. Huisartsen konden steeds aangeven of zij werkzaam waren en zo ja, of zij dan bezig waren met direct-, indirect- of niet-patiëntgebonden activiteiten. SMS-berichten zijn willekeurig ingepland en verstuurd met behulp van de zogeheten Work Sampling (WS) methode. Voor en na de meetweek vulden de deelnemers korte enquêtes in over onder meer hun verwachte en gerealiseerde uren.

Uit de SMS-metingen blijkt dat huisartsen gemiddeld 44,1 uur per week werken. Hiervan besteden zij 54% aan direct patiëntgebonden taken, 26% aan indirect patiëntgebonden taken en 20% aan niet-patiëntgebonden taken. In vergelijking met 2013 is het aantal uren dat men gemiddeld werkte opvallend stabiel, maar is het gemiddelde aantal FTE dat men aangeeft te werken gedaald van 0,77 naar 0,74 FTE. Dit betekent dat men in vergelijking met het onderzoek uit 2013 meer uur per FTE werkt (59,3 in plaats van 57,1).

In 2018 werken mannen gemiddeld 4,6 uur meer dan vrouwen (46,6 versus 42 uur). Wanneer hierin onderscheid gemaakt wordt naar werkzame positie is te zien dat bij HIDHA’s/vaste waarnemers en wisselend waarnemers vrouwen juist iets meer uren werken dan mannen. Wisselend waarnemers besteden relatief de meeste tijd aan direct-patiëntgebonden activiteiten, namelijk 59%.

Mannen en vrouwen zijn in hun tijdsbesteding meer op elkaar gaan lijken. Dat heeft als consequentie voor de capaciteitsraming dat de invloed van het toenemende aandeel vrouwen relatief minder sterk wordt.
De impact van de nu verzamelde gegevens op de komende capaciteitsraming, is nog niet precies te bepalen. Pas als voor die raming alle puzzelstukjes op een rij zijn gezet (dat wil zeggen: als er concrete schattingen zijn voor alle verschillende parameters van het model), kan de feitelijke impact berekend worden. Maar op voorhand is al wel te melden dat de invloed van de feminisering an sich geringer zal zijn dan voorheen gedacht. (aut. ref.)
Gegevensverzameling
Authors (3) of this publication:
E.B.A. (Elize) Vis
Promovendus “Chronic illness and informal social capital”
R.S. (Ronald) Batenburg
Programmaleider en bijzonder hoogleraar Arbeid en Organisatievraagstukken in de Gezondheidszorg (Radboud Universiteit)