Aafke Arts
Publicatie
Datum
10-03-2026
Evaluatie passende inzet van wijkverpleging in 2025. De meningen van (wijk)verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten.
Arts, A., Francke, A., Groot, K. de. Evaluatie passende inzet van wijkverpleging in 2025. De meningen van (wijk)verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten. Utrecht: Nivel, 2026. 44 p.
Download de PDF
De betaalbaarheid en toegankelijkheid van de wijkverpleging staat onder druk. Samenhangend met de vergrijzing, is er een toename in de hoeveelheid en complexiteit van zorgvragen. De groep ouderen en mensen met chronische ziekten wordt groter en het beleid is dat deze mensen zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Dit blijkt uit beleidsdocumenten van de overheid en andere landelijke stakeholders. Tegelijkertijd is er sprake van een krappe arbeidsmarkt in de wijkverpleging. Volgens het Prognosemodel Zorg en Welzijn nemen de arbeidsmarkttekorten in de wijkverpleging toe tot 25.300 personen in 2034.
Om ervoor te zorgen dat de wijkverpleging toegankelijk blijft voor iedereen die dit nodig heeft, moet de beschikbare wijkverpleging zo goed mogelijk verdeeld worden. In aansluiting daarbij heeft het Zorginstituut Nederland (ZiNL) een adviesrapport uitgebracht met de titel ‘Verdelen van schaarste in de wijkverpleging ’ (Zorginstituut, 2023). Dit adviesrapport gaat over de toegankelijkheid en kwaliteit van wijkverpleging en verpleging en verzorging thuis voor volwassenen in het algemeen, ongeacht hoe deze zorg wordt betaald, uit de Zorgverzekeringswet of uit de Wet langdurige zorg.
Het doel van dit onderzoek is om in kaart te brengen in hoeverre de door het Zorginstituut geformuleerde aanbevelingen uit het adviesrapport momenteel worden opgevolgd. Dit is onderzocht vanuit het perspectief van (wijk)verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten en verzorgenden werkzaam in de wijkverpleging.
De volgende onderzoeksvragen staan centraal:
1. In welke mate en op welke wijze wordt er in de wijkverpleging gebruik gemaakt van digitale of andere hulpmiddelen die de zelfredzaamheid van cliënten kunnen vergroten?
2. In welke mate en op welke wijze is er in de wijkverpleging aandacht voor taakverschuiving van andere zorgprofessionals naar helpenden?
3. In welke mate zijn intervisie, scholing en intercollegiale toetsing structureel ingebed in het werk van professionals in de wijkverpleging?
4. Welke randvoorwaarden beïnvloeden deelname aan vormen van professionele ontwikkeling in de wijkverpleging?
5. In hoeverre wordt de samenwerking tussen de wijkverpleging met eerstelijnsprofessionals en professionals uit het sociale domein vormgegeven, zoals staat omschreven in de ‘Visie Eerstelijnszorg 2030’?
6. In hoeverre wordt het vernieuwde Normenkader Indicatieproces toegepast bij het indicatieproces?
7. Hoe wordt in de praktijk geborgd dat het indicatieproces plaatsvindt volgens de inhoudelijke en professionele standaarden die in het Normenkader zijn opgenomen?
8. In hoeverre en op welke wijze wordt bij de indicatiestelling rekening gehouden met het sociale netwerk van de cliënt en de inzet van hulpmiddelen?
Dit rapport beschrijft de resultaten van vragenlijstonderzoek over de situatie in de tweede helft van 2025.
Overall conclusie
De wijkverpleging sluit in de tweede helft van 2025 deels aan bij de aanbevelingen van ZiNL over passende inzet van wijkverpleging. Zo worden hulpmiddelen die belangrijk zijn voor zelfredzaamheid veel gebruikt en werken zorgprofessionals in de wijkverpleging vaak samen met andere eerstelijnsprofessionals. Daarentegen blijft de samenwerking met het sociale domein achter en gebeurt de indicatiestelling niet altijd volgens het Normenkader Indicatieproces. Ook taakverschuiving naar helpenden en intervisie – een vorm van professionele ontwikkeling – blijven achter. Verder zijn er bij sommige aspecten verschillen tussen regio’s en opleidingsniveaus.
In 2027 wordt het vragenlijstonderzoek herhaald en zal onderzocht worden in hoeverre de praktijk dan aansluit bij de aanbevelingen van ZiNL over passende inzet van wijkverpleging.
Om ervoor te zorgen dat de wijkverpleging toegankelijk blijft voor iedereen die dit nodig heeft, moet de beschikbare wijkverpleging zo goed mogelijk verdeeld worden. In aansluiting daarbij heeft het Zorginstituut Nederland (ZiNL) een adviesrapport uitgebracht met de titel ‘Verdelen van schaarste in de wijkverpleging ’ (Zorginstituut, 2023). Dit adviesrapport gaat over de toegankelijkheid en kwaliteit van wijkverpleging en verpleging en verzorging thuis voor volwassenen in het algemeen, ongeacht hoe deze zorg wordt betaald, uit de Zorgverzekeringswet of uit de Wet langdurige zorg.
Het doel van dit onderzoek is om in kaart te brengen in hoeverre de door het Zorginstituut geformuleerde aanbevelingen uit het adviesrapport momenteel worden opgevolgd. Dit is onderzocht vanuit het perspectief van (wijk)verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten en verzorgenden werkzaam in de wijkverpleging.
De volgende onderzoeksvragen staan centraal:
1. In welke mate en op welke wijze wordt er in de wijkverpleging gebruik gemaakt van digitale of andere hulpmiddelen die de zelfredzaamheid van cliënten kunnen vergroten?
2. In welke mate en op welke wijze is er in de wijkverpleging aandacht voor taakverschuiving van andere zorgprofessionals naar helpenden?
3. In welke mate zijn intervisie, scholing en intercollegiale toetsing structureel ingebed in het werk van professionals in de wijkverpleging?
4. Welke randvoorwaarden beïnvloeden deelname aan vormen van professionele ontwikkeling in de wijkverpleging?
5. In hoeverre wordt de samenwerking tussen de wijkverpleging met eerstelijnsprofessionals en professionals uit het sociale domein vormgegeven, zoals staat omschreven in de ‘Visie Eerstelijnszorg 2030’?
6. In hoeverre wordt het vernieuwde Normenkader Indicatieproces toegepast bij het indicatieproces?
7. Hoe wordt in de praktijk geborgd dat het indicatieproces plaatsvindt volgens de inhoudelijke en professionele standaarden die in het Normenkader zijn opgenomen?
8. In hoeverre en op welke wijze wordt bij de indicatiestelling rekening gehouden met het sociale netwerk van de cliënt en de inzet van hulpmiddelen?
Dit rapport beschrijft de resultaten van vragenlijstonderzoek over de situatie in de tweede helft van 2025.
Overall conclusie
De wijkverpleging sluit in de tweede helft van 2025 deels aan bij de aanbevelingen van ZiNL over passende inzet van wijkverpleging. Zo worden hulpmiddelen die belangrijk zijn voor zelfredzaamheid veel gebruikt en werken zorgprofessionals in de wijkverpleging vaak samen met andere eerstelijnsprofessionals. Daarentegen blijft de samenwerking met het sociale domein achter en gebeurt de indicatiestelling niet altijd volgens het Normenkader Indicatieproces. Ook taakverschuiving naar helpenden en intervisie – een vorm van professionele ontwikkeling – blijven achter. Verder zijn er bij sommige aspecten verschillen tussen regio’s en opleidingsniveaus.
In 2027 wordt het vragenlijstonderzoek herhaald en zal onderzocht worden in hoeverre de praktijk dan aansluit bij de aanbevelingen van ZiNL over passende inzet van wijkverpleging.
Gegevensverzameling