Publicatie

Publicatie datum
Management of overweight and obesity in primary healthcare
Verberne, L. Management of overweight and obesity in primary healthcare. Utrecht: Nivel, 2019.
Download de PDF
In Nederland heeft ongeveer de helft van de volwassenen overgewicht en in de laatste decennia is overgewicht wereldwijd een groot maatschappelijk probleem geworden. De gewichtsstatus wordt meestal bepaald met behulp van de body mass index (BMI). Om de BMI te bepalen wordt het lichaamsgewicht in kilogram gedeeld door de lengte in meters in het kwadraat. Bij een BMI van 25 kg/m2 of hoger is er sprake van overgewicht en bij een BMI van 30 kg/m2 of hoger van obesitas. Een te hoog gewicht is een risicofactor voor verschillende chronische ziekten en gerelateerd aan een hoog zorggebruik.
In zowel Nederland als in veel andere Europese landen zijn er richtlijnen in de gezondheidzorg voor de behandeling van patiënten met overgewicht. De huisartsenpraktijk wordt gezien als een belangrijke plek voor het identificeren en monitoren van mensen met overgewicht, omdat de meeste mensen daar zo’n vier tot vijf keer per jaar komen.
Huisartsen en praktijkondersteuners somatiek kunnen hun patiënten met overgewicht adviezen geven over leefstijl en het gewicht van deze patiënten in de gaten houden. Ook kunnen zij doorverwijzen naar een leefstijlinterventie of een diëtist. Het doel van een behandeling bij de diëtist is het verbeteren van het eetgedrag en de leefstijl om daarmee gewichtsverlies te bereiken en te behouden.

Voor dit proefschrift is onderzoek gedaan naar de gezondheid en de behandeling van
patiënten met overgewicht en obesitas in huisartsenpraktijken en diëtistenpraktijken in
Nederland.

Hoofdstuk 2 beschrijft een evaluatie van een leefstijlinterventie (De BeweegKuur) voor mensen met overgewicht in de huisartsenpraktijk. In de groep patiënten die deze leefstijlinterventie gevolgd hebben zijn veranderingen in risicofactoren gerelateerd aan leefstijl en het zorggebruik in het jaar voor en in het jaar na deelname aan de interventie geëvalueerd en vergeleken met een groep patiënten met overgewicht die reguliere zorg heeft ontvangen. In beide groepen was een afname te zien in BMI, bloeddruk, totaal cholesterol en low density lipoproteïne (LDL) cholesterol in het jaar na deelname, maar er waren geen significante verschillen tussen de groepen. Voor high density lipoproteïne (HDL) cholesterol was wel een significante verbetering zichtbaar in de interventiegroep ten opzichte van de controlegroep. Tussen de groepen waren geen verschillen in medicatievoorschriften en het aantal consulten bij de huisarts. De studie zien dat goede implementatie en evaluatie van een leefstijlinterventie afhankelijk is van politieke beslissingen en financiële vergoedingen.

Hoofdstuk 3 beschrijft een cross-sectioneel onderzoek bij patiënten met milde tot matige
chronische obstructieve longziekten (COPD) naar het verband tussen overgewicht en het
vóórkomen van andere (chronische) aandoeningen en het voorschrijven van medicatie voor
COPD. De resultaten laten zien dat COPD-patiënten met overgewicht significant vaker diabetes mellitus, artrose en hypertensie hebben dan COPD-patiënten met een normaal gewicht. Patiënten met obesitas hebben ook vaker hartfalen. Daarentegen komen osteoporose en angststoornissen minder vaak voor bij COPD-patiënten met overgewicht.
Voor coronaire hartziekten, beroerte, slaapstoornissen, depressie en longontsteking is geen
verband gevonden met gewicht. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat COPD-patiënten
met obesitas vaker COPD-medicatie kregen voorgeschreven dan COPD-patiënten met een normaal gewicht. Meer aandacht voor gewichtsvermindering bij deze patiënten zou kunnen leiden tot vermindering van klachten, waardoor mogelijk ook minder vaak medicatie nodig is.

Hoofdstuk 4 beschrijft een onderzoek naar de registratie van BMI en gewicht in de
huisartsenpraktijk voor patiënten met zelf-gerapporteerd overgewicht. In 2012 werd bij een kwart van de patiënten met zelf-gerapporteerd overgewicht die hun huisarts dat jaar tenminste één keer bezochten, het gewicht of de BMI geregistreerd in het elektronische patiënten dossier. Het gewicht werd vaker geregistreerd bij patiënten met een hogere leeftijd, een lager opleidingsniveau, een hogere zelf-gerapporteerde BMI en bij patiënten met diabetes mellitus, COPD en/of hart- en vaatziekten. Bij relatief jonge patiënten en bij patiënten zonder een aan overgewicht gerelateerde aandoening werd het gewicht minder vaak geregistreerd. Voor deze patiënten zou een betere registratie van het gewicht kunnen bijdragen aan tijdige erkenning en behandeling van overgewicht.

Hoofdstuk 5 beschrijft de gewichtsverandering van patiënten met overgewicht na behandeling bij de diëtist. De gemiddelde behandeltijd was 3 uur over een periode van 5 maanden. Aan het eind van de behandeling was de gemiddelde gewichtsverandering -3,5 % van het startgewicht en de gemiddelde BMI verandering was -1,1 kg/m2. Patiënten met een hoger gewicht aan het begin van de behandeling en patiënten die een langere behandeltijd hadden, bereikten meer gewichtsverlies. Geslacht en leeftijd waren niet geassocieerd met gewichtsverandering en patiënten met andere voeding gerelateerde aandoeningen, zoals diabetes mellitus, hypertensie en hypercholesterolemie, bereikten minder gewichtsverlies.
De studie laat zien dat de meeste patiënten met overgewicht de aanbevolen gewichtsafname van ≥ 5 % van hun startgewicht niet halen na behandeling bij de diëtist. Dit komt mogelijk door een lage therapietrouw.

Hoofdstuk 6 beschrijft een studie naar tussentijdse gewichtsveranderingen bij patiënten met overgewicht gedurende het eerste jaar van de behandeling bij de diëtist. Bij aanvang van de behandeling was de gemiddelde BMI van deze patiënten 32,7 kg/m2. De BMI nam af tijdens opeenvolgende consulten, waarbij het meeste gewichtsverlies te zien was tussen de eerste twee consulten (gemiddelde BMI verandering: ‐0,5 kg/m2). Na zes consulten was de gemiddelde BMI verandering ‐1,5 kg/m2. Verder laat de studie zien dat patiënten die gewicht hadden verloren tussen twee eerdere consulten vaker naar een volgend consult kwamen dan patiënten die geen gewicht hadden verloren tussen twee eerdere consulten.
Het lijkt daarom belangrijk voor diëtisten om aandacht te besteden aan tussentijds gewichtsverlies, om de kans op voortzetting van de behandeling te vergroten.

De belangrijkste conclusies van dit proefschrift zijn dat het gewicht van patiënten minder vaak geregistreerd wordt in elektronische patiëntendossiers van huisartsenpraktijken dan geadviseerd wordt in de richtlijnen voor huisartsen en dat het gewichtsverlies van patiënten met overgewicht en obesitas na behandeling bij de diëtist of na deelname aan een leefstijlinterventie beperkt is.
Vragen, bel of mail: