Nieuws
20-02-2014
Dikke dokter maakt weinig werk van obesitas

Huisartsen voelen zich verantwoordelijk voor preventie en behandeling van overgewicht. Veel vooral jongere huisartsen grijpen pas in als overgewicht al is toegenomen tot obesitas. En huisartsen met overgewicht en ernstig overgewicht, verwijzen hun te zware patiënten minder vaak voor dieetadvies. De dikke dokter maakt weinig werk van obesitas, zo blijkt uit een publicatie van onderzoekers van het NIVEL en de VU in het wetenschappelijke tijdschrift BMC Obesity.

 
Overgewicht is volgens de Wereldgezondheidsorganisatie een wereldwijd probleem. Het aantal mensen met overgewicht is de laatste jaren snel toegenomen. In 2008 was al ruim een derde van de wereldbevolking te zwaar en 12% had ernstig overgewicht. In Nederland nam het percentage mensen met overgewicht toe van 28,2% in 1981 tot 36,8% in 2011. Het aantal mensen met ernstig overgewicht verdubbelde in die periode van 5,3% naar 11,4%. Als we hier niets aan doen, kampt in 2024 twee derde van de bevolking met overgewicht en heeft daardoor meer kans op bijvoorbeeld diabetes, hart- en vaatziekten, kanker en artrose.
 
Preventie
De mate van overgewicht wordt afgemeten aan de zogenoemde Body Mass Index (BMI): dit is iemands gewicht gedeeld door het kwadraat van zijn lengte. Een BMI tussen de 18,5 en 25 is gezond. Tussen de 25 en 30 is er sprake van overgewicht en hierboven van ernstig overgewicht of obesitas. Huisartsen (82,9%) zien preventie, bespreken en behandelen van overgewicht als een van hun taken. Vooral huisartsen die dit een belangrijke taak vinden, maken er werk van. De meesten komen echter pas in actie als een patiënt al kampt met ernstig overgewicht en het stadium van preventie al lang voorbij is. Op zich is dit wel in overeenstemming met de richtlijn, maar het voorkomen van obesitas is nog altijd gemakkelijker dan het behandelen. Ongeveer de helft van de patiënten met obesitas wordt verwezen voor voedings- of dieetadvies.
 
Rolmodel
Huisartsen onder de 48 jaar spreken met zware patiënten minder vaak over gewicht dan hun oudere collega’s. En huisartsen die regelmatig contact hebben met een diëtist verwijzen patiënten vaker voor voedings- of dieetadvies. Niet geheel onverwacht blijken dikke dokters patiënten met ernstig overgewicht minder vaak te verwijzen naar een diëtist. “Een huisarts met overgewicht functioneert op dit vlak natuurlijk ook minder als rolmodel voor zijn patiënten”, stelt NIVEL-onderzoeker Cindy Veenhof. “Wellicht gelooft deze zelf niet in het effect van een dieet.”
 
Motivatie
Preventie en behandeling van obesitas in de huisartsenpraktijk kunnen dus nog beter. Daarvoor moet een aantal hordes worden genomen. De eerste is tijd. Huisartsen hebben doorgaans tien minuten voor een patiënt en geven aan dat dit te weinig is om overgewicht met hun patiënten te bespreken. Terwijl effectieve gewichtsvermindering patiënten chronische ziektes kan besparen of deze kan uitstellen. Dat zou dus op de lange duur tijd besparen. Een andere horde is motivatie. Veel patiënten zijn niet gemotiveerd om af te vallen. “Het is daarom van belang wat aan die motivatie te doen. Huisartsen hoeven dat niet zelf te doen. Praktijkondersteuners en diëtisten kunnen dat ook op zich nemen”, oppert Cindy Veenhof. Aan vergoeding van de kosten van de diëtist ligt het volgens de ondervraagde huisartsen niet. Standaard krijgt iedereen drie uur behandeling vergoed via het basispakket.
 
Voor het onderzoek hebben ruim 300 huisartsen een vragenlijst ingevuld.
 
Subsidiënt
Ministerie van VWS 

Samenwerkingspartner
VU