Georganiseerde sport krijgt mensen in beweging, dit vraagt om lokale samenwerking
Nieuws
11-09-2020

Georganiseerde sport krijgt mensen in beweging, dit vraagt om lokale samenwerking

Sportstimuleringsprogramma’s die door sportverenigingen worden ingezet, zijn succesvol in het activeren van mensen die te weinig bewegen. Wel blijkt het lastig te zijn om grote aantallen inactieve mensen voor dergelijke programma’s enthousiast te krijgen. Meer samenwerking van sportbonden en sportverenigingen met partijen die direct contact hebben met inactieve doelgroepen is daarom wenselijk. Op die manier kunnen zij het sportaanbod beter aanpassen aan hun behoeften en gerichter deelnemers werven. Dit concludeerde promovendus Linda Ooms die onderzoek deed naar de mogelijke rol van sportbonden en sportverenigingen bij het in beweging brengen van inactieve mensen. Ooms promoveerde op 10 september aan de Universiteit Utrecht. Cindy Veenhof (Universiteit Utrecht/UMC Utrecht), Chantal Leemrijse (Nivel) en Dorine Collard (Mulier Instituut) zijn haar (co)promotoren.

Regelmatig bewegen is belangrijk om fit en gezond te blijven. Het verkleint het risico op het krijgen van allerlei chronische ziekten en vroegtijdig overlijden. De helft van de Nederlandse bevolking beweegt echter onvoldoende, waardoor zij een grotere kans hebben om gezondheidsproblemen te krijgen.

Steun van familie en vaardigheden trainer belangrijk bij sportdeelname
Steun van familie blijkt erg belangrijk te zijn bij sportdeelname van inactieve mensen. Een gebrek aan steun werkt zelfs belemmerend. De sportvereniging biedt verschillende mogelijkheden om familieleden direct of indirect bij het sporten te betrekken, bijvoorbeeld door ze mee te laten sporten of ze te betrekken bij andere verenigingsactiviteiten. Ook de trainer heeft een bepalende rol. Ooms: “Het is belangrijk dat de trainer vaardig is in het begeleiden van inactieve mensen en de sportactiviteiten op hun niveau aanpast. Dit betekent dat het instapniveau laag moet zijn en de intensiteit en duur van activiteiten geleidelijk moeten worden opgebouwd. Gebeurt dat niet, dan zal iemand snel afhaken.”

Over het onderzoek
Voor het onderzoek volgde Ooms veertien Nederlandse sportstimuleringsprogramma’s. Deze programma’s zijn ontwikkeld door tien sportbonden in het kader van het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB) en uitgevoerd door verschillende sportverenigingen. Voor het onderzoek zijn vragenlijsten afgenomen bij deelnemers aan de NASB-sportprogramma’s en interviews gehouden met vertegenwoordigers van sportbonden en sportverenigingen. Het onderzoek is gesubsidieerd door NOC*NSF en uitgevoerd vanuit het Nivel en het Mulier Instituut.