Nieuws
05-09-2013

Huisarts zou meer moeten doorvragen in soa-consult

Huisartsen zouden in soa-consulten meer ‘indiscrete’ vragen moeten gaan stellen om beter en gerichter op seksueel overdraagbare aandoeningen te kunnen testen. Dit zou het soa-consult ten goede komen, stellen onderzoekers van het NIVEL en RIVM in Huisarts & Wetenschap.
 

In de huisartsenpraktijk neemt het aantal consulten vanwege seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) toe. Toch worden er nog te veel kansen gemist op verbeterde soa-diagnostiek bij risicogroepen, zoals homoseksuele mannen en jongeren met wisselende seksuele contacten. Slechts 20% wordt getest op de vijf meest voorkomende soa’s, zoals de richtlijn voorschrijft. “Het soa-consult begint met een goede risico-anamnese, dus navraag bij de patiënt, om te bepalen of een test op chlamydia volstaat of dat het beter is om ook te testen op andere soa’s”, stelt NIVEL-projectleider, huisarts en epidemioloog Gé Donker. “Chlamydia is bij mannen meestal op te sporen in de urine en bij vrouwen met een vaginaal uitstrijkje met een wattenstaafje, maar bij mannen met homo- of biseksuele contacten moeten ook anale uitstrijkjes worden afgenomen. Voor testen op hiv of syfilis is een bloedmonster nodig.”  
 
Risicogroepen
“Voor jongeren met wisselende seksuele contacten, homoseksuele mannen, en patiënten uit landen en gebieden waar veel hiv voorkomt, worden maar weinig van deze uitgebreide tests aangevraagd. Ook worden er bij homoseksuele mannen maar weinig rectale tests aangevraagd”, stelt Donker. “De seksuele geaardheid of het aantal partners en hun etniciteit is vaak niet bekend bij de huisarts. Gerichter doorvragen in het consult is noodzakelijk om het beleid voor het testen op soa’s te verbeteren. Testen op hiv en hepatitis B moeten sneller worden aangeboden aan homoseksuele mannen en mensen uit gebieden waar veel hiv en hepatitis B voorkomt.”
 
Richtlijn
De nieuwe NHG-standaard geeft hiervoor duidelijke adviezen. Donker: “Als de richtlijnen goed worden gevolgd, krijgen mensen met een laag risico geen onnodige tests en worden soa’s bij mensen met een hoger risico effectiever opgespoord en tijdig behandeld. Bij prostituees die bij de huisarts komen, worden de richtlijnen nu al goed toegepast. Voorlichting en preventie blijven uiteraard ook heel belangrijk. Voorkomen is beter dan genezen.”
 
Onderzoek
Voor het onderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn (voorheen Landelijk Informatienetwerk Huisartsenzorg (LINH) – 80 praktijken – en de Continue Morbiditeitsregistratie (CMR) peilstations van het NIVEL – 42 praktijken). Deze huisartsen rapporteerden tussen 2008 en 2011 naast vastgestelde soa’s, gegevens over etniciteit, seksuele voorkeur, aantal sekspartners in het afgelopen halfjaar, reden van het consult, soa-voorgeschiedenis, aangevraagde tests en testuitslag.
 
Samenwerkingspartner
RIVM