Nieuws
24-07-2017
Ruimte voor verbetering bij toepassing richtlijnen trombosepreventie en antistollingsbeleid rondom operaties

Antistollingsmiddelen ter preventie van trombose of rondom operaties worden in Nederlandse ziekenhuizen meestal gebruikt in overeenstemming met de geldende richtlijnen. Dit blijkt uit dossieronderzoek van het NIVEL en EMGO+ Instituut. Toch is er nog ruimte voor verbetering. Met name bij de preventie van trombose bij niet-chirurgische patiënten en het gebruik van antistolling voor en na een operatie.

Richtlijnen worden beter toegepast wanneer deze via het elektronische patiëntendossier gemakkelijker te raadplegen zijn. Ook betere afspraken over de regie bij antistolling binnen en buiten het ziekenhuis kunnen helpen. NIVEL-onderzoekers raden bovendien aan om de rol van het bloedingsrisico in de besluitvorming bij de preventie van trombose nader te onderzoeken, en de implementatie van de richtlijnen te blijven monitoren.

Preventie van trombose

Niet-chirurgische patiënten met een verhoogd risico op trombose kregen, zoals verwacht, vaker antistollingsmiddelen ter preventie van trombose dan patiënten zonder verhoogd risico. Toch wordt er in totaal bij 45% van de niet-chirurgische patiënten over- of onderbehandeld. Daarnaast werd er bij de keuze om antistollingsmiddelen toe te dienen niet altijd rekening gehouden met een verhoogd bloedingsrisico.

Vier van de vijf patiënten die opgenomen waren voor een operatie kregen antistollingsmiddelen ter preventie van trombose toegediend. Dit was niet altijd in overeenstemming met de richtlijn. De overeenstemming verschilt sterk per soort operatie. Bij chirurgie aan de rug werd slechts bij 25% de trombosepreventie toegepast zoals in de richtlijn omschreven, bij orthopedische chirurgie was dit 94%. Soms zijn er specifieke redenen om bij een patiënt af te wijken van de richtlijn.

Antistollingsbeleid rondom operaties

Bij patiënten die antistollingsmiddelen gebruiken op het moment dat zij een operatie moeten ondergaan is een richtlijn beschikbaar om het risico op complicaties door antistolling te verminderen. In 65% van de patiënten die acenocoumarol of fenprocoumon als antistolling gebruikten werd deze richtlijn gevolgd. Bij één op de drie patiënten was dit dus niet het geval. De meeste afwijking werden gezien bij de zogeheten ’overbrugging’. Hierbij wordt enkele dagen voor en na de operatie tijdelijk extra antistolling toegediend. Ook hier kwam over- en onderbehandeling voor.

Bij patiënten die directe orale anticoagulantia of acetylsalicylzuur gebruikten werden de middelen soms te vroeg voor de operatie gestaakt of hadden deze volgens de richtlijn helemaal niet gestopt hoeven worden.

Over het onderzoek

In totaal zijn voor dit onderzoek ruim 1200 patiëntendossiers onderzocht van ziekenhuis opnames in dertien Nederlandse ziekenhuizen uit de periode juni-december 2015. De toepassing van het antistollingsbeleid is vergeleken met Nederlandse en internationale richtlijnen.

Subsidiënt: Ministerie van VWS
Samenwerkingspartner: EMGO+/VUmc