Nieuws
19-09-2016
Substitutie in de zorg is mogelijk.

Huisartsen kunnen door zelf meer zorg te verlenen eraan bijdragen dat minder zorg wordt gegeven door de specialist. Dat is onderzocht voor zes ziektes of klachten. Bij drie daarvan blijkt dat meer zorg in de huisartspraktijk gepaard gaat met minder zorg door de specialist. Dit geldt voor patiënten met astma, COPD en voor patiënten die contact zochten met de huisarts vanwege een moedervlek.

Substitutie van zorg van de tweede naar de eerste lijn is een belangrijk thema in het gezondheidszorgbeleid. Substitutie houdt bijvoorbeeld in dat bepaalde zorg van het ziekenhuis naar de huisarts wordt verschoven. De gedachte is dat dit leidt tot kostenbesparing en dat het prettiger is voor de patiënt om zorg dicht bij huis te ontvangen. Het is niet bekend of en hoe substitutie werkt, of meer zorg in de eerste lijn ook daadwerkelijk samengaat met minder zorg in de tweede lijn. Vanzelfsprekend is dit niet. De vraag of meer zorg in de eerste lijn leidt tot minder zorg in de tweede lijn is door het NIVEL onderzocht voor de periode 2008-2010. Hiervoor is gebruik gemaakt van de gegevens van huisartsen van NIVEL Zorgregistraties. In die periode deden ruim 90 praktijken met zo’n 250.000 patiënten mee aan NIVEL Zorgregistraties. Deze data zijn gecombineerd met declaraties uit de tweede lijn, zoals geregistreerd bij Vektis.

Meer zorggebruik in de eerste lijn gaat voor enkele specifieke aandoeningen samen met minder zorggebruik in de tweede lijn. We hebben zes aandoeningen onderzocht, waarvan we verwachtten dat het mogelijk is om de zorg te verschuiven van de tweede naar de eerste lijn. Bij drie aandoeningen bleek hier sprake van te zijn, namelijk bij astma, COPD en de behandeling vanwege een moedervlek. Bij deze aandoeningen gaat meer zorg door de huisarts samen met minder zorg in de tweede lijn. Bij de drie andere aandoeningen, diabetes, scheur/snijwond, atheroomcyste/epitheelcyste, bleek meer zorg door de huisarts niet samen te gaan met minder zorg in het ziekenhuis.

Huisartsen vervullen in Nederland de rol van poortwachter voor toegang tot de tweede lijn. Hiermee hebben huisartsen dus een sturingsmiddel in handen om het zorggebruik in de tweede lijn te beïnvloeden.  De invloed van dit sturingsmiddel is beperkt. Als patiënten eenmaal in de tweede lijn terecht zijn gekomen, hebben huisartsen weinig invloed op het zorggebruik in de tweede lijn. Het blijkt dat een deel van de verwijzingen (30 – 50%) van patiënten naar een arts in het ziekenhuis buiten de huisarts omgaat. Specialisten verwijzen onderling, of de verwijzing komt van de tandarts of de verloskundige.

Ons onderzoek laat zien dat er mogelijkheden zijn voor substitutie. Dit onderzoek is uitgevoerd voordat er meer aandacht kwam voor afspraken over substitutie. Om te zien of afspraken over substitutie effectief zijn, zou ons onderzoek herhaald moeten worden. Door het herhalen met recente gegevens wordt zichtbaar of afspraken over substitutie inderdaad leiden tot meer zorg in de eerste lijn en minder in de tweede lijn. Mogelijk is dit ook een stimulans om tot verdere afspraken over substitutie te komen, deze lijken namelijk moeilijk van de grond te komen.

Bronnen: NIVEL Zorgregistraties en Vektis
NIVEL Zorgregistraties eerste lijn maakt gebruik van gegevens die routinematig in de zorg worden verzameld bij verschillende eerstelijnsdisciplines. Het aantal deelnemende huisartspraktijken neemt toe in de tijd. Begin 2016 waren er ruim 500 deelnemende huisartspraktijken met ruim anderhalf miljoen ingeschreven patiënten.
Vektis heeft toegang tot de gegevens uit de declaratiebestanden van alle zorgverzekeraars. Hierdoor beschikt Vektis over gegevens over alle vormen van verzekerde zorg in Nederland.
De zes aandoeningen die onderzocht zijn, zijn de chronische ziektes COPD, astma en diabetes en de acute aandoeningen scheur/snijwond, moedervlek en atheroomcyste/epitheelcyste.